Een aandelenoptierecht is een recht om een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten te kopen in de vennootschap van de werkgever of in een vennootschap waarmee de werkgever is verbonden. Onder verbonden vennootschap wordt verstaan:
U moet loonheffingen berekenen over het werkelijk gerealiseerde voordeel op het moment van uitoefening of vervreemding van de optierechten. Als u aan de werknemer een bedrag in rekening heeft gebracht voor het optierecht, dan mag u dit bedrag in mindering brengen op het voordeel dat de werknemer heeft genoten. Bij een negatief saldo mag u niets op het loon in mindering brengen.
Een werknemer krijgt 100 opties die het recht verschaffen om gedurende 1 jaar (de uitoefenperiode) aandelen te kopen voor de prijs van 25 (uitoefenprijs) per aandeel. De uitoefenperiode gaat in drie jaar na verkrijging van de opties met als voorwaarde dat de werknemer alleen mag uitoefenen wanneer hij in dienst is van het bedrijf.
Op het moment waarop de werknemer de opties ontvangt bedraagt de waarde van het aandeel eveneens 25. Stel dat de waarde van het aandeel na drie jaar is gestegen tot 30. Op dat moment kan de werknemer besluiten dat het moment gunstig is: hij oefent zijn opties uit. Hij betaalt dan
100 x 25 = 2.500
Wanneer hij de aandelen op hetzelfde moment weer verkoopt, bedraagt zijn winst
100 x 5 = 500
Het is echter ook mogelijk dat de waarde van het aandeel aan het begin van de uitoefenperiode is gedaald tot f 23. Uitoefening van de opties betekent nu een verlies van
100 x 2 = 200
In dat geval is het verstandiger te wachten. Als de prijs aan het aandeel aan het eind van de uitoefenperiode nog steeds onder de 25 ligt, dan oefent de werknemer de opties gewoon niet uit. Want een optie is een recht, geen plicht.
SNPI
Bezoekadres: Goeman Borgesiuslaan 77 | Utrecht
Postadres: Postbus 9769 | 3506 GT | Utrecht
(t) 030 - 75 31 462
(e)
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.